Door MARIJE VLASKAMP
[OLYMPISCH WEBLOG NI HAO]
Alle Pekingse taxibedrijven hebben hun chauffeurs ter ere van de Spelen in het nieuw gestoken.
Taxi in Peking.
Ook vrouwelijke taxichauffeurs zijn verplicht het 'boterpak' te dragen - zonder stropdas.
De uniformen variëren per ‘werkeenheid’ - de Chinese naam voor de werkgever – maar in elk geval is het overhemd botergeel, de broek blauw en de stropdas lelijk. De das van de Rotterdamse Taxi Centrale is een begerens-waardig, hip mode-accessoire, vergeleken met de ellendige streepjesstrop die de Pekingse chauffeur nu om zijn nek heeft hangen. Toegegeven, de Pekingse cabby kon in zijn uiterlijk best een likje restyling gebruiken. Hij heeft niet het verfijnde van zijn collegaatjes in Sjanghai. Die hebben nichterige witte handschoentjes aan, spreken met lispelende stemmen en trekken een wenkbrauw op als er ook maar één, met een deksel afgesloten, bekertje koffie wordt meegenomen in hun steriele voertuig.
De Pekingse taxichauffeur is van het gemakkelijke soort. Als zijn vrouw hem niet in een schoon truitje praat, trekt hij aan wat hij gisteren na een slopende nachtdienst thuis op een stoel heeft gegooid. My kind of cab: al neem ik een heel ontbijt mee de taxi in, als ik af en toe maar even met de chauffeur babbelt over het weer, corruptie en veel te hoge heffingen op vergunningen, maakt dat alle kruimels goed. Om vrienden met een Pekingse taxichauffeur te worden – wat erg handig is omdat hij dan sneller rijdt, minder vloekt en zijn stratenkennis efficiënter hanteert – is enige tolerantie voor geurtjes wel nodig.
Knoflook hoort bij elk Noord-Chinees ontbijt, middageten en diner. En in bijna elke taxi domineert de geur van ongewassen mannenoksel. Zweten, dat zou ik ook gaan doen als ik me dagelijks een uur of acht door het van files vergeven Pekingse wegennet zou moeten wurmen, met een ongeduldige passgier die te laat van huis is weggegaan, schreeuwend over een dringende afspraak op de achterbank. Zeker in de winter, als mannen in Noord-China lang katoenen ondergoed dragen en een warme prikkerige wollen onderbroek onder hun van sleet glimmende kleren aanhebben, omdat het buiten min tien is. Als dan binnen in de auto de verwarming loeit, vloeit het transpiratievocht rijkelijk. Maar nu is het minstens dertig graden buiten, en rieken de taxichauffeurs niet. De afgelopen jaren zijn mijn helden van de weg met een reeks aan betuttelende regeltjes gepest. Kreeg heel Peking een beschavingsoffensief over zich heen – niet spugen, niet voordringen – de taxichauffeurs werden heropgevoed alsof ze nooit manieren hadden geleerd. Dagelijks douchen. Geen knoflook. Geen rare kapsels. Geen oorbellen. Geen vragen stellen over aantal kinderen, maandsalaris of leeftijd van de passagier. Het olympische rookverbod geldt voor zowel passagier als chauffeur. Hun favoriete kleine eettentjes, waar voor weinig geld veel vet eten te halen is, zijn restaurantjes zonder vergunning; die zijn nu allemaal dicht. En dan tot overmaat van ramp het verplichte uniform. Wie ook maar één onderdeel weigert van het boter-pak, zoals het in taxiwereld heet, krijgt een vette boete. Twintig euro per missend kledingsstuk. “Dat overhemd is van de goedkoopste soort polyester, dus het zweet en zit helemaal niet lekker,” klaagt een van de chauffeurs van taxibedrijf Daxing. Toch durft hij het binnen de stadsgrenzen niet uit te trekken. “Ze dreigen met boetes, die in totaal tot wel tweehonderd euro kunnen oplopen.” Wie eigenwijs is, en toch lekker zijn eigen katoenen hemmetje aantrekt, is zó een maandsalaris kwijt. Hoopvol kijkt de man me aan. “Heeft u geen buitenlandse vrienden die eens lekker een dagje naar de Chinese Muur willen? Dan kan ik buiten de stadsgrenzen dit vreselijke overhemd uitdoen.”
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten